Wat Lucía heeft gedaan om dit te verdienen

De taartschep wijst naar beneden en het bloed dat eraf stroomt tekent lijntjes op de grond. Ze is negentien jaar en met de handschoen getrouwd in een kleine kerk in Córdoba. Met de handschoen, want haar verloofde was te druk in Oberhausen zijn neus in andermans vagina te steken toen Lucía in een witte jurk alleen voor het altaar haar jawoord gaf. Haar moeder was al tegen het huwelijk, maar zij was verliefd en wilde graag dromen met Enrique. Naar Duitsland gaan, een gezin starten, hard werken en het verdiende geld meenemen naar Spanje, waar ze een leven zonder armoede konden opbouwen. Het is 1961 en ze is negentien. De wereld aan haar voeten.

Gehuil. De baby. “Twee maanden oud,” zegt Lucía, terwijl ze met de punt van haar lakpump tegen het hoofd van het naakte lijk schopt. “Twee maanden oud.” Ze loopt naar de kinderwagen en pakt de baby eruit. Ze sust haar, ontknoopt haar blouse en floept haar borst uit haar onderhemd. Met twee vingers begeleidt ze haar tepel naar de mond van het kind, nu ook besmeurd met bloed. “Arme. Jij zal nu ook besmet zijn met de zonden van je vader.” Ze kijkt verder naar beneden, een olieachtige laag bloed bedekt haar handen. Haar zelfgenaaide groene mantelpakje en blouse zijn bedekt met rode vlekken en spetters.

Twee lijken. Een in het bed, met een ontknoopte broek en een geslachtsdeel slap, richting zijn kin. Een schaar in zijn borst. Post-coïtus. De ander half in de voorraadkast, waar het toen het nog leefde in verstopt zat en angstig ademhaalde, wetende dat het er geweest was. Lucía had na de eerste een kop koffie gepakt. Er zat nog wat lauwe drab in de ketel op het fornuis. Ook was er een aangebroken Schwarzwälder Kirsch op een taartplateau onder een stolp, waar ze een stuk van pakte en opat. Daarna pakte ze de taartschep, liep naar de voorraadkast en stak zes keer nadat ze de deur open deed. Nu zit ze op dezelfde stoel als eerder, maar is de baby degene die eet.

Als de baby klaar is legt Lucía haar terug en loopt naar buiten. In Oberhausen-Sterkrade is het op een midzomeravond nog druk. De gastarbeiders die er wonen komen van rond de Middellandse Zee, waar het leven zich ’s avonds afspeelt. Ze duwt de kinderwagen over de drempel en loopt in de richting van de kerk een paar honderd meter verderop. “Oog om oog, tand om tand,” zegt ze. Lucía is vroom. Bij de drempel van de kerk stopt ze en kijkt omhoog, naar de hemel en de hel. Om haar heen mensen, die de kinderwagen bij haar wegtrekken. Schreeuwend kijken ze naar de baby, die een mengeling van bloed en kots langs haar mond heeft. Lucía kijkt ze aan. In de ogen. Zodat ze niet naar het bloed kijken, maar naar haar verdriet. Maar ze kijken naar haar alsof Lucía zou krijgen wat ze verdient.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *