Mijn rode omaportemonneetje

portemonneetjeIn de trein naar het centrum van Madrid neem ik altijd een zakje losgeld mee. Het liefst twintig centjes, allemaal dezelfde muntjes in mijn rode omaportemonneetje. Er is nog geen treinrit geweest waar niet iemand een betoog heeft gehouden over het feit dat hij of zij ziek is en geld nodig heeft en kinderen heeft en niet rond kan komen met vierhonderd euro per maand. Logisch, denk ik.

Elke dag hetzelfde, elke dag twintig cent. Begrijp me niet verkeerd, soms zijn het junkies die er een dikke, vette spuit van kopen. Maar ik heb nooit goed doorgehad waarom zij mindere personen zijn dan ik, met mijn rugzak met inhoud. Uiteindelijk zijn we allemaal wel ergens verslaafd aan.

Volgende station. Atocha. Daar stapt een mevrouw in. Ze heeft duidelijk al een hele poos niet gedoucht en haar tanden zijn net allemaal paaseitjes, bruin met zwarte spikkels. Haar haar komt uit een muts die al een tijd niet van haar hoofd is geweest en daaruit komen sliertige zwart-grijze haren met stukjes erin. Ze heeft een smerig trainingspak aan met daaronder hardloopschoenen, waarvan de zolen tot aan de grond zijn weggesleten. Een doorgesleten plastic tasje in haar hand. Afijn, een sloeber. Misschien zelfs een sloeberjunk. De man die naast de deur zit duwt subtiel zijn neus in zijn sjaal en kijkt verder op zijn telefoon, naar een nieuw bullshitnieuwtje uit Amerika waarschijnlijk.

Iedereen kijkt kort naar haar, in afwachting van het betoog. Daarna volgt een ongemakkelijk moment waarop iedereen om zich heen kijkt. Weer daarna komen alle appels uit de tassen en zit iedereen weer in een andere wereld. Ook ik wacht op het moment dat ze haar betoog begint. In plaats daarvan kijkt ze uit het raam. Naar hoe de bomen voorbij haar flitsen en naar hoe de mensen op het volgende station in en uit stappen en dan weer uit het raam. Een brok schiet in mijn keel. Ze heeft het waarschijnlijk al opgegeven. Ik kijk in mijn tas. Daar zie ik mijn rode omaportemonneetje en een broodje die ik heb klaargemaakt om later op te eten als ik honger heb.  Ik heb eigenlijk zelden honger en eet weinig. Gewoon omdat ik het vergeet. Soms, als ik een tijd niet de deur uit ben geweest, vind ik een beschimmeld zakje met iets onherkenbaars erin dat eerder een heerlijke sandwich was. Om je dood te schamen.

Het eindstation. De mevrouw gaat als eerste richting de deur. Niet omdat ze er eerder is, maar omdat niemand haar aan wil raken en haar voor laat gaan. Ik zit te ver weg en als de mevrouw de trein uit is loopt iedereen tegelijk naar de deur. Door de ramen heen zie ik haar. Buikpijn en stress. Ik wil haar heel graag iets geven. Ik wil graag dat ze zich voelt als alle anderen of misschien beter. Duwen helpt niet, maar ik doe het toch. Mensen worden boos, want: Spanje. In de verte zie ik haar nog. Ik wurm me uit de menigte, ploep bijna de trein uit en ren naar haar toe, mijn rode omaportemonneetje in mijn hand. Ze stopt en kijkt me aan. Ik open haar hand. Twintig cent, zoals de rest. In haar tasje stop ik het broodje.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *