Wandeling van de Weide

Lorca

De Paseo del Prado was honderd jaar geleden enkel bestemd voor voetgangers en een gammel trammetje. Nu ligt er een brede autoweg, gescheiden door een smal park en overlopend in de moderne Paseo de la Castellana, waarmee is gepoogd een deur te openen naar de 21ste eeuw. Mensen wandelen en inhaleren de zure geur van uitlaatgassen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Ik besluit te lopen tot waar Bello, Lorca, Dalí en Buñuel hun genialiteit ontdekten. Deze weg bewandelden zij dagelijks. Naar het museum en weer terug. Het museum dat eerder nog diende als verrijking van de geest, vervulling van de creatieve geest, INSPIRATIE. Nu is het in korte tijd afgestompt tot iets dat gelijk staat aan kantoorgebouwen met mooie plaatjes aan de muur. Gedegradeerd tot de winkel aan de overkant. Van een afstand kijk ik. Ik kijk naar de mensen die uren in de rij staan om te kunnen zeggen: “Ja, hier was ik. Hier ben ik geweest en ik heb ‘Las meninas’ gezien. Dat was toch die ene met dat paard?” en dat mensen hun billen bij elkaar knijpen en hun tenen krommen, of, nog erger, het bevestigen.

De gebouwen bij Cibeles zijn ingepakt als cadeautjes. Een eeuw geleden deden ze nog als nieuw aan. Madrid was toen het nieuwe Parijs. Veelbelovend en overstromend van een intellectuele rijkdom waar we nu nog jaloers op zouden moeten zijn. Tien stappen vooruit in de tijd. Meertalig, poëtisch, filosofisch, alles. In café’s geen voetbalgeneuzel, maar verhitte discussies over wat KUNST is en hoe dat het best tot uiting kwam. Ik ga vaak op bed liggen om na te denken en om te bedenken hoe de groten het deden. De groten als Valle Inclán, die doorligplekken kreeg van het schrijven op bed. Serieus, doorligplekken. En wij praten over ‘zitvlees’! Geniaal.

Colón. Dat betekent niet darm, maar Columbus in het Spaans. Hier zullen ze vast blijven weten wie hij is. Zoals over de hele wereld, geëerd als held. Na zijn dood alleen, net als Van Gogh, die altijd gek was. Tot hij dood was; toen was hij geniaal. Columbus ook. Rooft en moordt en laat roven, laat moorden. Maar toch heeft hij een plein in Madrid en meerdere in de rest van Spanje. Hij wist ook niet wat hij was. Toen hij vermoord was, geen held. Daarna, held. Over een jaar of vijftig is hij wat hij was voordat hij dood was. Hopelijk, wanneer er erkenning is. Wat ben ik dan wel? Geen idee wat ik ben.

Een Spanjaard die Engels spreekt passeert mij. Grappig. Grappig dat hij Engels spreekt, de manier waarop is eigenlijk verbazingwekkend goed. Wel met accent, anders zou het nep en twijfelachtig zijn. Ik denk gelijk weer aan hoe ze dat in de tijd van mijn vier idolen deden. Bello was meertalig, sprak van jongs af aan vloeiend Engels. Buñuel en Dalí waren francofielen. Lorca was muzikaal geniaal, maar sprak alleen Spaans. Zijn vader liet hem alleen rechten studeren en later is hij op eigen houtje en na een smeekbede aan het adres van Juan Ramón Jiménez -aka JRJ- toegelaten in de residentie. JRJ, die later uitgekakt werd en uit werd gemaakt voor ZWIJN, inclusief een cadeautje aan zijn schizofrene adres in de vorm van het afgehakte hoofd van een willekeurig knorretje.

Ik steek over en loop door het smalle parkje. Dit is volgens mij nog hoe het zo’n honderd jaar geleden was. Groen met bruine, zanderige paden. Veel bomen, want vanaf Colón omhoog stopt de oude, Madrileense bouwstijl en stap je in het Franquisme. Economie, efficiëntie en bescheidenheid. Alles ramt je om de oren. Hoge, glazen gebouwen en oranje bakstenen. Mijn ogen doe ik maar weer naar beneden. Kijken naar het zand en fantaserend over het feit dat Lorca met zijn lakbrogues wellicht ook het zand omschepte en een irritant steentje onder zijn hiel had, die hij er pas uithaalde op zijn kamer, een kilometer of twee verderop in de residentie. Hoe dichterbij ik kom, hoe meer het beklemmende gevoel zich als een berenklauw in slow motion om mijn maag klemt. Mijn gezicht vult zich met tranen. Van blijdschap, van hoop dat ik de dag ga meemaken dat de tijdmachine wordt uitgevonden. Het eerste dat ik zou doen is teruggaan naar toen en als een rare fangirl mijn idolen ontmoeten. Het liefst nog voordat ze beroemd zijn. Al ga ik er nu van uit dat ze sociaal waren, wat ze totaal niet waren.

Midden op de rotonde kijk ik opzij. Een nieuw bord wijst in de richting van waar de residentie is. Verstopt achter de faculteit voor natuurwetenschappen. Ik kijk net zo lang tot alle lelijke, glazen gebouwen verdwijnen en ik alleen de weide en de bergen zie. Het dorre, droge zomergroen. Ik kijk minstens acht minuten en denk aan hoe zij daar vandaan kwamen en het trammetje naar Cibeles net misten. Hoe ze het belletje van de wagon in de verte hoorden verdwijnen. Elkaars handen vasthielden. Liepen, terwijl er niet zoveel later nog een tram zou komen. Grapten, elkaar LIEFHADDEN. Hun kennis zoveel verder dan die van ons nu. Man, wat had ik willen leren.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *