In de lift

‘Die broek. Heb je die zo gekocht, of heb je dat zelf gedaan?’ De vrouw wijst naar mijn benen. Specifiek naar de gaten in mijn broek, die ik inderdaad zo bij de Zara heb gekocht.

‘Hoezo?’ vraag ik. Het is zichtbaar niet het antwoord waar ze op gerekend had.

‘Nou, als je hem zo gekocht hebt, kan ik je vertellen dat ik net zoiets in de prullenbak heb gegooid.’ Ik glimlach en kijk weer naar de knoppen van de lift. ‘Door die gaten, begrijp je. Omdat ‘ie stuk is.’ De liftdeuren gaan open en ik loop naar buiten.

De wachtkamer

Het ene moment wacht je af, met een periodieke bevestiging dat je weer opnieuw kunt beginnen. Het andere zit je in een wachtkamer. Wit, met houten stoelen op een rij. Vier vlekjes op de muur, van de plakgum waarmee ooit een poster was opgeplakt. Dan leg je je hand naast je op de knie van je man, die al een paar minuten met zijn benen op en neer wiebelt. Wanneer het lijkt of het te lang duurt, pak je een tijdschrift en bladert er doelloos doorheen. En als de deur opent en iemand in een witte jas op je afkomt en je de hand rijkt, hoor je niets, glimlach je en stap je de kamer in. Dan gaat het alleen nog om het pasgeprinte papier op de tafel voor je.

Nederlandse plantjes

We zitten aan de eettafel. Alles is zoals het altijd is, behalve de geur en de opengeknipte vuilniszak op tafel. Daar bovenop liggen stukgeknipte blaadjes en takken vol cannabisbloemen. ‘Waarom deden we dit ook alweer?’ vraagt mijn vriend. Ik zeg dat ik moet weten hoe het voelt om wietplantjes te knippen als ik erover schrijf en dat het niks te maken heeft met het snoeien van hortensia’s. Na vijf takken loop ik naar de keuken om mijn schaartje te wassen. Mijn duim doet pijn en heeft een beginnende blauwe plek. In het scharnierpunt van de schaar zit opgehoopte hars. Ik houd het onder de lopende warme kraan. Op het handvat van het schaartje staat “Made in China”. Duidelijk niet gemaakt om Nederlandse plantjes mee te snoeien.

De caravan

Een fragment uit mijn debuutroman.

Mijn oma vertelde me vaak over de caravan in de achtertuin toen ze net in Amsterdam Noord woonden. Ze waren van een achterhuis in de straatarme Jordaan, naar een ruime benedenwoning in Nieuwendam verhuisd. Ze sprak Nieuwendam quasi bekakt uit. Met een pruilmondje. “Nieuwendom”. Alsof het nog steeds de status had van toen. Aan het begin van de seventies was dat het oord voor de Jordanezen die deden alsof ze nét iets meer te makken hadden dan de mensen die achterbleven in het stadscentrum.

Het was een oude caravan, die mijn grootouders hadden gevonden op een autokerkhof en waar ze 25 gulden voor hadden betaald. Mijn opa zaagde aan de onderkant van de deur een smal luikje, waar precies een dienblad met een bord eten en een pakje drinken op zijn kant doorheen paste. Aan de buitenkant, onder het toilet, hingen ze een emmer en aan de bovenkant boorden ze drie ventilatiegaten. Het was het begin van de seventies: het einde van peace, love and music. En als mijn oma over de caravan begon, zei ze dat dat einde met een klap ingezet werd.

Mijn vader was toen vijftien en lag al drie dagen in het ziekenhuis. Overdosis heroïne. Hij werd binnengebracht nadat zijn vrienden belden dat hij was gestopt met ademhalen. Mijn oma zei tot haar dood dat ze het nooit geweten hadden. Volgens haar was hij daardoor zo goed in het verbuigen van de waarheid.

 

De eerste keer dat mijn oma het mij vertelde was ik ook vijftien. ’s Ochtends had mijn vader me naar school gebracht en tegen me gezegd dat hij me in de middag op zou komen halen.

‘Twee uur ben ik vrij, oké?’ Ja, dat was oké.

‘En dan ben je er om tien over twee, toch?’ Ja, tien over twee.

Die middag heb ik drie uur gewacht tot hij kwam en ben ik vervolgens lopend naar huis gegaan, zodat ik niet te laat thuis zou komen voor het avondeten. Anderhalf uur in de stromende regen. En toen ik thuis kwam zat hij aan de keukentafel. Hij was het vergeten en sorry. Van alle leugens is dit de enige waar ik nu het meest aan herinnerd word. Al voelde het toen meer als een lijfstraf voor het feit dat ik er was.

Een discussie

Waarom kroegen hetzelfde zijn als coffeeshops. Een collega zegt dat haar broer verslaafd is geweest aan wiet en dat het verboden moet worden. Ik zeg dat in Nederland 477.000 mensen verslaafd zijn aan alcohol en 70.000 aan cannabis en vraag haar waarom ze vindt dat kroegen wel mogen bestaan en coffeeshops niet. Zij gelooft de cijfers niet en ik zeg dat dit precies het probleem is. Zij gelooft niet dat het probleem wordt opgelost door goede voorlichting en vindt dat wiet verboden moet worden. Ik vraag hoeveel biertjes zij het afgelopen weekend heeft gehad. Zij weet het niet meer.

Wat Lucía heeft gedaan om dit te verdienen

De taartschep wijst naar beneden en het bloed dat eraf stroomt tekent lijntjes op de grond. Ze is negentien jaar en met de handschoen getrouwd in een kleine kerk in Córdoba. Met de handschoen, want haar verloofde was te druk in Oberhausen zijn neus in andermans vagina te steken toen Lucía in een witte jurk alleen voor het altaar haar jawoord gaf. Haar moeder was al tegen het huwelijk, maar zij was verliefd en wilde graag dromen met Enrique. Naar Duitsland gaan, een gezin starten, hard werken en het verdiende geld meenemen naar Spanje, waar ze een leven zonder armoede konden opbouwen. Het is 1961 en ze is negentien. De wereld aan haar voeten.

Gehuil. De baby. “Twee maanden oud,” zegt Lucía, terwijl ze met de punt van haar lakpump tegen het hoofd van het naakte lijk schopt. “Twee maanden oud.” Ze loopt naar de kinderwagen en pakt de baby eruit. Ze sust haar, ontknoopt haar blouse en floept haar borst uit haar onderhemd. Met twee vingers begeleidt ze haar tepel naar de mond van het kind, nu ook besmeurd met bloed. “Arme. Jij zal nu ook besmet zijn met de zonden van je vader.” Ze kijkt verder naar beneden, een olieachtige laag bloed bedekt haar handen. Haar zelfgenaaide groene mantelpakje en blouse zijn bedekt met rode vlekken en spetters.

Twee lijken. Een in het bed, met een ontknoopte broek en een geslachtsdeel slap, richting zijn kin. Een schaar in zijn borst. Post-coïtus. De ander half in de voorraadkast, waar het toen het nog leefde in verstopt zat en angstig ademhaalde, wetende dat het er geweest was. Lucía had na de eerste een kop koffie gepakt. Er zat nog wat lauwe drab in de ketel op het fornuis. Ook was er een aangebroken Schwarzwälder Kirsch op een taartplateau onder een stolp, waar ze een stuk van pakte en opat. Daarna pakte ze de taartschep, liep naar de voorraadkast en stak zes keer nadat ze de deur open deed. Nu zit ze op dezelfde stoel als eerder, maar is de baby degene die eet.

Als de baby klaar is legt Lucía haar terug en loopt naar buiten. In Oberhausen-Sterkrade is het op een midzomeravond nog druk. De gastarbeiders die er wonen komen van rond de Middellandse Zee, waar het leven zich ’s avonds afspeelt. Ze duwt de kinderwagen over de drempel en loopt in de richting van de kerk een paar honderd meter verderop. “Oog om oog, tand om tand,” zegt ze. Lucía is vroom. Bij de drempel van de kerk stopt ze en kijkt omhoog, naar de hemel en de hel. Om haar heen mensen, die de kinderwagen bij haar wegtrekken. Schreeuwend kijken ze naar de baby, die een mengeling van bloed en kots langs haar mond heeft. Lucía kijkt ze aan. In de ogen. Zodat ze niet naar het bloed kijken, maar naar haar verdriet. Maar ze kijken naar haar alsof Lucía zou krijgen wat ze verdient.

Mijn rode omaportemonneetje

portemonneetjeIn de trein naar het centrum van Madrid neem ik altijd een zakje losgeld mee. Het liefst twintig centjes, allemaal dezelfde muntjes in mijn rode omaportemonneetje. Er is nog geen treinrit geweest waar niet iemand een betoog heeft gehouden over het feit dat hij of zij ziek is en geld nodig heeft en kinderen heeft en niet rond kan komen met vierhonderd euro per maand. Logisch, denk ik.

Elke dag hetzelfde, elke dag twintig cent. Begrijp me niet verkeerd, soms zijn het junkies die er een dikke, vette spuit van kopen. Maar ik heb nooit goed doorgehad waarom zij mindere personen zijn dan ik, met mijn rugzak met inhoud. Uiteindelijk zijn we allemaal wel ergens verslaafd aan.

Volgende station. Atocha. Daar stapt een mevrouw in. Ze heeft duidelijk al een hele poos niet gedoucht en haar tanden zijn net allemaal paaseitjes, bruin met zwarte spikkels. Haar haar komt uit een muts die al een tijd niet van haar hoofd is geweest en daaruit komen sliertige zwart-grijze haren met stukjes erin. Ze heeft een smerig trainingspak aan met daaronder hardloopschoenen, waarvan de zolen tot aan de grond zijn weggesleten. Een doorgesleten plastic tasje in haar hand. Afijn, een sloeber. Misschien zelfs een sloeberjunk. De man die naast de deur zit duwt subtiel zijn neus in zijn sjaal en kijkt verder op zijn telefoon, naar een nieuw bullshitnieuwtje uit Amerika waarschijnlijk.

Iedereen kijkt kort naar haar, in afwachting van het betoog. Daarna volgt een ongemakkelijk moment waarop iedereen om zich heen kijkt. Weer daarna komen alle appels uit de tassen en zit iedereen weer in een andere wereld. Ook ik wacht op het moment dat ze haar betoog begint. In plaats daarvan kijkt ze uit het raam. Naar hoe de bomen voorbij haar flitsen en naar hoe de mensen op het volgende station in en uit stappen en dan weer uit het raam. Een brok schiet in mijn keel. Ze heeft het waarschijnlijk al opgegeven. Ik kijk in mijn tas. Daar zie ik mijn rode omaportemonneetje en een broodje die ik heb klaargemaakt om later op te eten als ik honger heb.  Ik heb eigenlijk zelden honger en eet weinig. Gewoon omdat ik het vergeet. Soms, als ik een tijd niet de deur uit ben geweest, vind ik een beschimmeld zakje met iets onherkenbaars erin dat eerder een heerlijke sandwich was. Om je dood te schamen.

Het eindstation. De mevrouw gaat als eerste richting de deur. Niet omdat ze er eerder is, maar omdat niemand haar aan wil raken en haar voor laat gaan. Ik zit te ver weg en als de mevrouw de trein uit is loopt iedereen tegelijk naar de deur. Door de ramen heen zie ik haar. Buikpijn en stress. Ik wil haar heel graag iets geven. Ik wil graag dat ze zich voelt als alle anderen of misschien beter. Duwen helpt niet, maar ik doe het toch. Mensen worden boos, want: Spanje. In de verte zie ik haar nog. Ik wurm me uit de menigte, ploep bijna de trein uit en ren naar haar toe, mijn rode omaportemonneetje in mijn hand. Ze stopt en kijkt me aan. Ik open haar hand. Twintig cent, zoals de rest. In haar tasje stop ik het broodje.

Wandeling van de Weide

Lorca

De Paseo del Prado was honderd jaar geleden enkel bestemd voor voetgangers en een gammel trammetje. Nu ligt er een brede autoweg, gescheiden door een smal park en overlopend in de moderne Paseo de la Castellana, waarmee is gepoogd een deur te openen naar de 21ste eeuw. Mensen wandelen en inhaleren de zure geur van uitlaatgassen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Ik besluit te lopen tot waar Bello, Lorca, Dalí en Buñuel hun genialiteit ontdekten. Deze weg bewandelden zij dagelijks. Naar het museum en weer terug. Het museum dat eerder nog diende als verrijking van de geest, vervulling van de creatieve geest, INSPIRATIE. Nu is het in korte tijd afgestompt tot iets dat gelijk staat aan kantoorgebouwen met mooie plaatjes aan de muur. Gedegradeerd tot de winkel aan de overkant. Van een afstand kijk ik. Ik kijk naar de mensen die uren in de rij staan om te kunnen zeggen: “Ja, hier was ik. Hier ben ik geweest en ik heb ‘Las meninas’ gezien. Dat was toch die ene met dat paard?” en dat mensen hun billen bij elkaar knijpen en hun tenen krommen, of, nog erger, het bevestigen.

De gebouwen bij Cibeles zijn ingepakt als cadeautjes. Een eeuw geleden deden ze nog als nieuw aan. Madrid was toen het nieuwe Parijs. Veelbelovend en overstromend van een intellectuele rijkdom waar we nu nog jaloers op zouden moeten zijn. Tien stappen vooruit in de tijd. Meertalig, poëtisch, filosofisch, alles. In café’s geen voetbalgeneuzel, maar verhitte discussies over wat KUNST is en hoe dat het best tot uiting kwam. Ik ga vaak op bed liggen om na te denken en om te bedenken hoe de groten het deden. De groten als Valle Inclán, die doorligplekken kreeg van het schrijven op bed. Serieus, doorligplekken. En wij praten over ‘zitvlees’! Geniaal.

Colón. Dat betekent niet darm, maar Columbus in het Spaans. Hier zullen ze vast blijven weten wie hij is. Zoals over de hele wereld, geëerd als held. Na zijn dood alleen, net als Van Gogh, die altijd gek was. Tot hij dood was; toen was hij geniaal. Columbus ook. Rooft en moordt en laat roven, laat moorden. Maar toch heeft hij een plein in Madrid en meerdere in de rest van Spanje. Hij wist ook niet wat hij was. Toen hij vermoord was, geen held. Daarna, held. Over een jaar of vijftig is hij wat hij was voordat hij dood was. Hopelijk, wanneer er erkenning is. Wat ben ik dan wel? Geen idee wat ik ben.

Een Spanjaard die Engels spreekt passeert mij. Grappig. Grappig dat hij Engels spreekt, de manier waarop is eigenlijk verbazingwekkend goed. Wel met accent, anders zou het nep en twijfelachtig zijn. Ik denk gelijk weer aan hoe ze dat in de tijd van mijn vier idolen deden. Bello was meertalig, sprak van jongs af aan vloeiend Engels. Buñuel en Dalí waren francofielen. Lorca was muzikaal geniaal, maar sprak alleen Spaans. Zijn vader liet hem alleen rechten studeren en later is hij op eigen houtje en na een smeekbede aan het adres van Juan Ramón Jiménez -aka JRJ- toegelaten in de residentie. JRJ, die later uitgekakt werd en uit werd gemaakt voor ZWIJN, inclusief een cadeautje aan zijn schizofrene adres in de vorm van het afgehakte hoofd van een willekeurig knorretje.

Ik steek over en loop door het smalle parkje. Dit is volgens mij nog hoe het zo’n honderd jaar geleden was. Groen met bruine, zanderige paden. Veel bomen, want vanaf Colón omhoog stopt de oude, Madrileense bouwstijl en stap je in het Franquisme. Economie, efficiëntie en bescheidenheid. Alles ramt je om de oren. Hoge, glazen gebouwen en oranje bakstenen. Mijn ogen doe ik maar weer naar beneden. Kijken naar het zand en fantaserend over het feit dat Lorca met zijn lakbrogues wellicht ook het zand omschepte en een irritant steentje onder zijn hiel had, die hij er pas uithaalde op zijn kamer, een kilometer of twee verderop in de residentie. Hoe dichterbij ik kom, hoe meer het beklemmende gevoel zich als een berenklauw in slow motion om mijn maag klemt. Mijn gezicht vult zich met tranen. Van blijdschap, van hoop dat ik de dag ga meemaken dat de tijdmachine wordt uitgevonden. Het eerste dat ik zou doen is teruggaan naar toen en als een rare fangirl mijn idolen ontmoeten. Het liefst nog voordat ze beroemd zijn. Al ga ik er nu van uit dat ze sociaal waren, wat ze totaal niet waren.

Midden op de rotonde kijk ik opzij. Een nieuw bord wijst in de richting van waar de residentie is. Verstopt achter de faculteit voor natuurwetenschappen. Ik kijk net zo lang tot alle lelijke, glazen gebouwen verdwijnen en ik alleen de weide en de bergen zie. Het dorre, droge zomergroen. Ik kijk minstens acht minuten en denk aan hoe zij daar vandaan kwamen en het trammetje naar Cibeles net misten. Hoe ze het belletje van de wagon in de verte hoorden verdwijnen. Elkaars handen vasthielden. Liepen, terwijl er niet zoveel later nog een tram zou komen. Grapten, elkaar LIEFHADDEN. Hun kennis zoveel verder dan die van ons nu. Man, wat had ik willen leren.